a. |
Sporadische borstkanker:
80% van alle borstkankers. Sporadisch betekent dat er
in de familie geen verhoogd voorkomen van borstkanker
is als men vergelijkt met het bevolkingsrisico (1 op
9 Vlaamse vrouwen krijgt borstkanker, meestal boven
50 jaar). |
b. |
Familiale borstkanker:
15% van alle borstkankers. In deze families komt borstkanker
vaker voor dan bij 1 vrouw op 9 en ook op jongere leeftijd
(onder 50 jaar). In de stamboom wordt hier geen duidelijk
overervingspatroon van een mogelijke BRCA-mutatie gezien.
Toch wordt in 20 tot 30% van deze families wel een BRCA-mutatie
aangetoond; meestal in kleine families of in families
waar er veel overerving is langs mannelijke verwanten. |
c. |
Erfelijke borst-
en eierstokkanker:
5% van alle borstkankers. In de stamboom van deze families
wordt een duidelijk overervingspatroon gezien. In 70
tot 80% van deze families kan men een mutatie aantonen
in een BRCA-gen (BReast CAncer gen). Dit is een afwijking
in het DNA (het genetisch materiaal) die doorgegeven
kan worden van moeder op kind of van vader op kind.
Elk kind van een persoon met een mutatie in een BRCA-gen
heeft 50% kans om deze mutatie over te erven. De BRCA-genmutatie
kan zowel aan dochters als aan zonen worden doorgegeven.
In een aantal families blijft het genetisch defect echter
onbekend. |
Ons erfelijk materiaal met de
erfelijke informatie bevindt zich in de kern (= nucleus)
van de cel.